13-10-08

Le Clézio, Nobelprijs literatuur.

 

Jean Marie Le Clézio mag dan onbekend lijken op tv, in Phara van donderdag ll. bleek geen van de aanwezigen hem te kennen- noch Celie Dehaene, Erwin Mortier, Karel Deruwe, ook Phara en Lieven niet – maar dat zegt niets over zijn schitterend werk waarmee hij hen die met zijn werk kennis maakten telkens weer verblijdt. Wel getuigt die onwetendheid daar dat een boekenprogramma op de nationale zender meer dan noodzakelijk is, liefst dan nog een dat verder reikt dan het vernoemen van de nieuwst verschenen werken in het eigen taalgebied; een boekenprogramma dat over de grenzen durft te kijken en dat ideeën aanreikt, niet louter boektitels en bewondering.

 

Le Clézio is een absolute must voor eenieder die meer wenst dan louter een verhaaltje. Bij hem wordt een wereld in woorden geschapen die op de 'woordeloze' werkelijkheid past. Je ziet hier juist die metamorfose. 'L'extase materielle' en 'terra Amata' werkten op jullie dienaar hier als een bewustzijnsverruimende leesdrug. Aanbevolen en misschien verschijnt nu meer werk van hem ook in Nederlandse vertaling.

 

Hier voor de aardigheid een door jullie dienaar vertaald fragment uit “Terra amata” over een piepklein stukje aarde: 

De insekten. En elk heeft zijn naam. Zoals evenveel kleine ventjes, hebben ze elk hun toverachtige zelfstandigheid. Er is de mug Sepia, de mug Darius, de mug Amanda. Er is de vleesvlieg Truming, de kakkerlak Bryant, de rups Alex, de luis Maria, de sprinkhaan Smythe en de sprinkhaan Eole. Er is de wandluis Marcelle (...) Ze zijn allen daar. Elk met zijn naam, met zijn klein en ernstig leven, met zijn eieren, zijn larven, zijn voedsel zijn uitwerpselen. En als men aan elk ding een naam heeft gegeven, aan elk dier en aan elk plantje, dan is men nooit meer alleen.De hitte slaat ononderbroken op dit onmetelijke landschap, al deze namen zijn verbonden, de ene met de andere langs strakke draden, haast onzichtbaar. Er zijn alle geschiedenissen, alle avonturen. Ze zijn ontelbaar. Zij houden niet op. Het zijn miljoenen kleine drama's, miljarden tragi-komedietjes, suspensefilms, corrida's, tornooien, oorlogen, processies, waar elk klein takje, elk steentje zijn plaats heeft. 't Is hier dat men zich zonder twijfel moet neerzetten, op een rots temidden van de aarde, ofwel zich neervlijen in het harde gras om te schrijven DE GANSE WERELDGESCHIEDENIS. Men kon beginnen op de eerste blz. van een dik schrift en men zou in grote letters schrijven:

GESCHIEDENIS VAN DE AARDE

Er zouden zijn alle miniatuur-heldendichten met hun gevechten, al de slachtingen, alle uittochten. In hoofdstuk 122, bvb., zou men het verhaal lezen over de vernieling van de stad der mieren: Tsin, en de zware tocht naar die aardklomp die de vesting zou worden van de nieuwe stad. Hoofdstuk 594 vertelt het verhaal van de krab Nathan. Men zou schriftelijk meedelen hoe Nathan, na door een storm op de kant geworpen te zijn, 3 gebroken poten, had gekropen onder een moordende zon tot de waterplas van Banatovoro waar hij had geregeerd als absoluut heerser tot de leeftijd van 4 jaar, vooraleer te sterven door het neerstorten van een rots. In hoofdstuk 999 zou het verhaal staan van Fueco, de salamander zonder staart.En hoofdstuk 3346 vermeldt hoe de bliksem een zomernacht op de eik Zaba sloeg, hem in twee splitste en hoe de brand uitbreidde tot de ganse heuvel, verbrandend in enkele uren duizende bomen en dieren

(...)

 Het zou zijn zoals een bloempot, maar een hele grote, en soort Japanse tuin, waar alles op zijn plaats blijft.

 

Nog een smaakmaker de inzichtrijke mooie eerste paragraaf uit 'L' extase matérielle':

 

 

Quand je n'etais pas né, quand je n'avais pas encore renfermé ma vie en boucle et que ce qui allait être ineffaçable n'avait pas encore commencé d' être inscrit; quand je n'appartenais à rien de ce qui existe, que je n' étais pas même conçu, ni concevable, que ce hasard fait de précisions infiniment minuscules n'avait pas même entamé son action ; quand je n'étais ni du passé, ni du présent, ni surtout du futur; quand je n'étais pas; quand je ne pouvais pas être; détail qu'on ne pouvait pas aperçevoir, graine confondue dans la graine, simple possibilité qu'un rien suffisait à faire dévier de sa route. Moi, ou les autres. Homme, femme, ou cheval, ou sapin, ou staphylocoque doré. Quand je n'étais pas même rien , puisque je n'étais pas la négation de quelque chose, ni même une absence, ni même une imagination. Quand ma semence errait sans forme et sans avenir, pareille dans l'immense nuit aux autres semences qui n'ont pas abouti. Quand j'étais celui dont on se nourrit, et non pas celui qui se nourrit, celui qui compose, et non pas celui qui est composé. Je n'étais pas mort. Je n'étais pas vivant. Je n' existais que dans les corps des autres, et je ne pouvais que par la puissance des autres. Le destin n'était pas mon destin. Par secousses microscopiques, le long du temps, ce qui était substance oscillait en empruntant les voies diverses. A quel moment le drame s'est-il engagé pour moi? Dans quel corps d'homme ou de femme, dans quelle plante, dans quel morceau de roche ai-je commencé ma course vers mon visage?

poging tot vertaling:

Toen ik niet geboren was, toen ik mijn leven nog niet had opgesloten in een knop en dat wat onuitwisbaar ging zijn nog niet begonnen was te worden opgeschreven; toen ik tot niets behoorde van wat bestond, ik was zelfs nog niet eens uitgedacht, noch uitdenkbaar, dit toeval gemaakt uit oneindig kleine nauwkeurigheden had zelfs zijn actie nog niet begonnen ; toen ik niet van het verleden was, noch van het heden, zeker niet van de toekomst; toen ik niet was; toen ik niet kon zijn; detail dat men niet kon waarnemen, graantje vermengd in het graan, simpele mogelijkheid waarvoor een nietigheid volstond om het te laten afwijken van zijn weg. Ik of de anderen. Man, vrouw,of paard, of den, of staphilococcus aureus. Toen ik zelfs niets was, vermits ik zelfs niet de negatie van iets was, zelfs geen afwezigheid, zelfs niet een verbeelding. Toen mijn zaad zwierf zonder vorm en zonder toekomst, gelijk in de immense nacht aan de andere zaden die nooit aankwamen. Toen ik die was waarvan men zich voedt, en niet die die gevoed wordt, die die samenstelt en niet die samengesteld is. Ik was niet dood. Ik was niet levend. Ik leefde slechts in het lichaam van de anderen, en ik kon slechts door de kracht van de anderen. Het lot was niet mijn lot. Door microscopische schuddingen, in de loop van de tijd, trilde dat wat substantie had en ontleende verschillende wegen. Op welk ogenblik heeft het drama het voor mij opgenomen? In welk lichaam van vrouw of man, in welke plant, in welk stuk rots ben ik mijn loop naar mijn gezicht begonnen?

 

 

 


10:45 Gepost door doeterniettoe in Literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: le clezio |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.