08-04-08

Kan en weet de wetenschap alles?

We hadden enkele weken terug het hier al over de jaarlijkse vraag in  edge .

 Die van 2008 was (kort omschreven) waarin ben je al ooit van mening veranderd? In een aantal volgende blogjes gaan we in op een aantal antwoorden…

Colin Tudge  bvb. behandelt n.a.v. deze vraag de grenzen van de wetenschap. Hij toont m.i. overtuigend aan dat pure wetenschappen toepassen op de werkelijkheid soms domme consequenties heeft. Men moet vertrekken van de realiteit en die is meer dan pure wetenschap ( er is ook de sociale realiteit, er zijn de implicaties van een uitvinding op de evolutie, wat is de  invloed op de economische toestand van  de bevolking, e.d.m.  Dat wordt duidelijk aangetoond bvb  in het artikel van Colin Tudge :

 

Oorspronkelijk artikel in het Engels: http://www.edge.org/q2008/q08_1.html#tudge

 

Vertaling:

 

De alwetendheid en almacht van de wetenschap.


Ik heb mijn gedachten over de almacht van de wetenschap veranderd. Ik besef nu dat de wetenschap beperkt is, en dat het uiterst gevaarlijk is dit niet te waarderen.

Wetenschap vordert in het algemeen door reductionistisch te handelen. Deze term wordt op verschillende manieren gebruikt in verschillende contexten, maar ik neem aan dat wetenschappers beginnen met de observatie van een wereld die oneindig complex en onsamenhangend lijkt, en om het zinvol te maken herleiden ze hem tot deelproblemen, elk van hen  kan vervolgens voorwerp worden van een testbare hypothese die, voor zover mogelijk, een wiskundige vorm krijgt.

Deze aanpak is vanzelfsprekend krachtig, en het is moeilijk te zien hoe solide vooruitgang van een feitelijke aard kon worden gemaakt op een andere manier. Deze aanpak produceert antwoorden van de soort die bekend staat als " robuust". " robuust" betekent niet "ondubbelzinnig waar" en nog minder voldoet het aan de 'criteria’  van  advocaten "de hele waarheid en niets dan de waarheid". Maar robuustheid is vrij goed, zeker goed genoeg om ermee om te gaan.

De beperking is echter duidelijk. Wetenschappers produceren robuuste antwoorden alleen omdat zij veel aandacht besteden aan het aanpassen van de vragen. Zoals Sir Peter Medawar zei: "Wetenschap is de kunst van het oplosbare" (in de tijd en met de beschikbare middelen).
Natuurlijk is het een grote vergissing om te veronderstellen dat wat oplosbaar is, alles is wat er is - maar sommige wetenschappers maken deze fout routinematig.

Of om de kwestie op een andere manier te stellen: zij neigen gemakkelijk te vergeten dat ze komen tot hun "robuuste" conclusies door te negeren als een kwestie van strategie alle complexiteiten die lastig leken. Maar al te vaak zijn wetenschappers dan geneigd te extrapoleren uit de conclusies van hun strategisch vereenvoudigde weergave van de wereld naar de heel echte wereld.

Twee voorbeelden van een heel andere aard zullen volstaan:

1: In de 19e eeuw was de studie van dierenpsychologie een puinhoop. Aan de ene kant hadden we een aantal studies van de zenuwfuncties door een paar fysiologen, en aan de andere kant hadden we gebieden van wonderlijke maar onnaspeurbare  natuurgeschiedenis  die vooral    

George Romanes heeft pogen te ordenen. Maar daartussen was er niet veel. De behavioristen van de 20ste eeuw sorteerden de puinhoop door zich te concentreren op de enige uiting van  dierpsychologie die direct waarneembaar en meetbaar is: hun gedrag.

Goed. Maar toen ik aan de universiteit begin jaren 60 was bepaalde het behaviorisme  alles. Begrippen als "geest" en "bewustzijn" werden verbannen. B.F. Skinner  poogde zelfs de menselijke taalverwerving in termen van  "conditioneringsmechanismen"  te verklaren.

Sindsdien kent het  behaviorisme grotendeels zijn plaats. Zijn methoden zijn nog steeds nuttig ( helpen nog steeds met het bereiken van "robuuste" resultaten), maar de discussies zijn nu veel ruimer. "Bewustzijn", "gevoel", ook "geest" staan weer op de agenda.

Je kunt natuurlijk stellen dat in dit geval de wetenschap zichzelf verbeterde - hoewel dit historisch niet helemaal waar is. Noam Chomsky , niet algemeen erkend als een wetenschapper, gaf het zelfvertrouwen van  het behaviorisme een knauw door zijn eigen taalanalyse.



Maar tientallen jaren heersten de beweringen van de behavioristen , en m.i. waren zij in vele opzichten zeer schadelijk. In het bijzonder versterkten ze de cartesiaanse idee dat dieren louter machines waren, en als zodanig behandeld konden worden. Dieren zoals chimpansees werden routinematig gewoon beschouwd als nuttig fysiologische "modellen" van de mens, die gemakkelijker konden worden misbruikt dan mensen. Vooral Jane Goodall moeite om gepubliceerd te worden in de eerste plaats  juist omdat ze weigerde een hard cartesiaans (behavioristisch-geïnspireerd) standpunt in te nemen. Dierenwelzijn en de instandhouding worden nog steeds gestoord door een houding dat dieren gewoon "machines" zijn en door de grove overtuiging dat de moderne wetenschap "bewezen" heeft dat dit zo is.

2: In de kwestie van GGO's (genetisch gemanipuleerde organismen ) zijn we getuige van de ruwe vereenvoudigingen in hun nog niet gecorrigeerde vorm. Door genetische manipulatie is het mogelijk (soms) de oogstopbrengst te verhogen. Als andere dingen gelijk blijven is een hoge opbrengst  beter dan lage rendementen.  Vandaar het argument: GGO’s moeten goed zijn en iedereen die  iets anders zegt moet een dwaas zijn (is iemand die de wetenschap niet begrijpt) of hij is boosaardig (een soort elitaire, die de boeren ‘achteruit’ wil stellen).

corrigeerde dit - maar ze had aanvankelijk

Maar wie  iets over de landbouw in de echte wereld weet (in tegenstelling tot de vertroetelde experimentele velden van de Engelse ‘homecounties’ en Californië) weet dat de opbrengst bij lange na niet alles is of de definitieve oplossing is. Onder meer, een hoge opbrengst vereist een hoge toevoer van middelen en kapitaal - dingen die vaak ontbreken. Opbrengst is minder belangrijk dan lange-termijn zekerheid - aanvaardbare rendementen in slechte jaren eerder dan torenhoge rendementen in de beste omstandigheden. Zekerheid vereist individuele taaiheid en variëteit – geen van beide correleren  noodzakelijkerwijs met een super-gewas status. In een tijd van klimaatverandering, is  veerkracht uiteraard van het grootste belang - maar dit is helaas niet duidelijk bij mensen die het beleid maken. Extra grote oogsten in goede jaren veroorzaken overvloed - tenzij de markt is geregeld; overvloed in het huidige economische klimaat (maar niet noodzakelijkerwijs in de echte wereld van de VS en de EU) duwt de prijzen omlaag en zet boeren zonder werk.

Uiteindelijk kan men gaan inzien  - dat de zegen van het proefexperiment  op een paar jaar niet kan worden overgedragen op echte boerderijen in de wereld als geheel. Maar tegen die tijd zullen de traditionele gewassen die de mensheid had kunnen dragen verdwenen zijn en de  de mensen die weten hoe men een boerderij moet houden zullen dan leven en  sterven in stedelijke sloppenwijken (die, volgens de VN, nu  al een thuis is voor een miljard mensen).

Achter al deze onzin en horror ligt de simplistische overtuiging van een heleboel wetenschappers (hoewel niet alle, eerlijk gezegd) en politici en grootindustriëlen, dat de wetenschap alles begrijpt  (dwz dat ze  alwetend is  of binnenkort zal zijn), en dat  hoog technologieën ons kunnen uitgraven  uit elke put waarin we ons hebben ingegraven (maw zij is almachtig).

Absoluut niet.

 

Brandend  actueel:

 

Colin Tudge’s persoonlijke website: http://www.colintudge.com/

Stijgende voedingsprijzen in Somalië:

http://documents.wfp.org/stellent/groups/public/documents/newsroom/wfp175748.wmv

De commentaren zijn gesloten.