18-01-07

Boeiende tekst van Milgram... historisch? Niet meer aktueel?

Hier volgt zoals beloofd in vorig logje de vertaling van het laatste hoofdstuk van Stanley Milgram’s opmerkelijk boek “Grenzeloze gehoorzaamheid”.

De oorspronkelijke tekst (het volledige boek zelfs als pdf ) vind je op volgende site: http://www.vidyaonline.net/arvindgupta/milgram.pdf (epilogue zie p. 108-116)

 

Voor meer details over Milgram’s test zie vorig logje. Voor bedenkingen rond dit nawoord zie volgend logje. (Het zou nuttig zijn als Skynet het mogelijk maakte subpagina’s binnen een logje te maken…sorry voor het ongemak maar ik vrees dat er hier  bij Skynet geen andere mogelijkheid is of wel? Suggesties altijd welkom…)

Hier de vertaalde epilogue dus:

 

NAWOORD

Het dilemma dat in het conflict tussen geweten en gezag besloten ligt is een fundamenteel kenmerk van onze samen­leving en ook wanneer nazi- Duitsland niet bestaan had, zou­den we er steeds weer mee geconfronteerd worden. Wanneer het probleem alleen in een historische context be­schouwd wordt, zou dat ten onrechte de indruk kunnen wekken, dat het reeds lang en breed verleden tijd is.

Sommige mensen wijzen elke vergelijking met het nazisme van de hand omdat we immers niet in een autoritaire staat leven, maar in een democratie. Dit doet echter in feite niets aan het probleem af. Het gaat namelijk niet om `autoritaire systemen' als een vorm van politieke organisatie of als een constellatie van psychologische neigingen, maar om het principe van het gezag zelf. Autoritaire systemen kunnen op een gegeven moment door een democratisch stelsel worden vervangen, maar het principe van het gezag zal, zolang de samenleving in de nu bekende vorm blijft bestaan, niet kun­nen worden aangetast.

(zie noot 27 27.Bierstedt merkt volkomen terecht op dat het verschijnsel gezag zelfs nog fundamenteler is dan het verschijnsel regering: '... Het probleem van het gezag bekleedt een essentiële plaats in elke behoorlijke theorie over maatschappelijke structuur... zelfs een regering is in een bepaald opzicht niet alleen maar een politiek verschijnsel, maar in de allereerste plaats een sociaal fenomeen, ... de voedingsbodem waaruit een regering voortkomt bezit zelf een bepaalde orde en structuur. Als anarchie het tegendeel van regering is, is anomie het tegendeel van samenleving. Gezag is met andere woorden absoluut niet louter een politiek verschijnsel in de enge zin van het woord. Want gezag treedt niet alleen op in de politieke organisatie van de samenleving, maar in alle maatschappelijke organisaties. Elke vorm van vereniging in de samenleving bezit, hoe klein en hoe kortstondig ook, een eigen gezagsstructuur.' Bierstedt. Pag 68-69  )

In democratieën komen politici via algemene verkiezingen in de regering. Maar wanneer zij hun ambt eenmaal hebben aanvaard, oefenen zij evenveel gezag uit als degenen die op een andere manier aan de macht zijn gekomen. En zoals wij steeds weer gezien hebben, kunnen ook de eisen van een op democratische wijze aan de regering gekomen autori­teit tot gewetensconflicten leiden. Het deporteren van miljoenen zwarte slaven, het uitroeien van de Amerikaanse Indianen, het interneren van Japanse Amerikanen en het ge­bruik van napalm tegen de Vietnamese burgerbevolking zijn allemaal beleidsmaatregelen, uitgevaardigd door het gezag van een democratisch land, waaraan zoals te verwachten was, ook werd gehoorzaamd. In al deze gevallen verhieven sommige staatsburgers, door zedelijke motieven gedreven, hun stem; de doorsnee reactie van de gewone man was ech­ter te doen wat hem gezegd werd.

Ik geloof niet dat ik ooit van mijn verbazing zal bekomen dat, toen ik aan allerlei instellingen voor wetenschappelijk onderwijs lezingen over het gehoorzaamheidsexperiment hield, ik daarbij jonge mensen ontmoette die ontzet waren over het gedrag van de proefpersonen en die verklaarden dat zij zich nooit op een dergelijke wijze zouden gedragen, maar die binnen een paar maanden opgeroepen werden voor het leger, waar zij zonder enig gewetensbezwaar daden ver­richtten waarbij het toedienen van schokken aan het slacht­offer volledig verbleekte. In dit opzicht waren zij niet beter of slechter dan alle andere mensen die zich overal ter wereld aan de doeleinden van de autoriteiten onderwerpen en een werktuig worden in de destructieve processen van het ge­zag

Gehoorzaamheid  en de oorlog in Vietnam

Elke generatie maakt door zijn eigen historische ervaringen met het probleem van gehoorzaamheid kennis. De Verenig­de Staten hebben juist een kostbare en controversiële oorlog in Zuidoost-Azie achter de rug.

De lijst van onmenselijke wreedheden die gewone Amerikanen in het Vietnamese conflict begaan hebben, is te lang om hier in detail weer te geven. De lezer wordt daarvoor verwezen naar een groot aantal verhandelingen over dit on­derwerp (zoals Taylor 1970; Glasser 1971; Halberstam 1965). Wij zullen ons tot een korte opsomming beperken: onze soldaten staken systematisch dorpen in brand, pasten de 'vrije-vuurzone’-tactiek toe, maakten uitgebreid gebruik van napalm, bestookten primitief uitgeruste legers met de de meest recente ontdekkingen op technologisch gebied, ont­bladerden enorme stukken land, dwongen zieke en oude mensen om militaire redenen te evacueren, en vermoordden honderden ongewapende burgers ter plaatse.

Vanuit een psychologisch standpunt bezien zijn dit geen onpersoonlijke historische gebeurtenissen, maar wandaden die verricht zijn door mensen zoals wij, mensen die onder druk van het gezag elk gevoel van persoonlijke verantwoor­delijkheid voor hun daden verloren hadden.

1- Hoe is het mogelijk dat een fatsoenlijk iemand binnen een paar maanden in staat blijkt, om zonder enig gewetensbe­zwaar andere mensen uit de weg te ruimen? Laten we het proces dat zo iemand doormaakt eens aan een nadere analy­se onderwerpen.

Ten eerste moet hij van een positie buiten het militaire gezagssysteem naar een punt erbinnen worden gebracht. De oproep voor militaire dienst is het formele middel daartoe. Door een eed van trouw wordt de rekruut nog sterker aan zijn nieuwe rol gebonden.

Kazernes staan in ruimtelijk opzicht apart van de rest van de samenleving, om elke mogelijkheid op het optreden van een concurrerende autoriteit al bij voorbaat uit te sluiten. Naarmate iemand al of niet gehoorzaamt wordt hij bestraft of beloond. Iedere soldaat moet een basisopleiding van en­kele maanden volgen. Oppervlakkig bezien dient deze perio­de om de nieuwe rekruten een aantal militaire vaardigheden aan te leren, maar in feite is zij erop gericht om ook het laatste restje individualiteit en persoonlijkheid te vernieti­gen.

Het belangrijkste doel van de vele uren die de rekruten op het excercitieterrein moeten doorbrengen, is niet om de nieuwe soldaten marcheren te leren, maar om ze discipline bij te brengen en om het opgaan van het individu in het geor­ganiseerde geheel een zichtbare vorm te geven. Kolonnes en pelotons, reageren al snel als een man op de bevelen van de sergeant. Dergelijke formaties bestaan niet uit individuën, maar uit automaten. De hele militaire opleiding is erop ge­richt om soldaten tot deze staat te reduceren, om elke vorm van zelfstandigheid de kop in te drukken en om er door een voortdurende confrontatie voor te zorgen dat het militaire gezag niet alleen aanvaard, maar ook verinnerlijkt wordt.

Voordat de soldaten naar het oorlogsterrein verscheept worden, doet het gezag zijn uiterste best om de acties van het leger een betekenis te geven die aansluit bij hooggewaar­deerde idealen en algemeen maatschappelijke doeleinden. De rekruten krijgen te horen dat de tegenstanders die zij op het slagveld ontmoeten, vijanden zijn en vernietigd moeten worden omdat hun land anders in gevaar komt. De situatie wordt gedefinieerd op een manier die wrede en onmenselijke daden schijnt te rechtvaardigen. In de Vietnamese oorlog was er bovendien nog een andere factor die het makkelijker maakte om tot beestachtigheden over te gaan: de vijand was van een ander ras. Vietnamezen werden dan gewoonlijk met de term `spleetogen' aangeduid, als of het Untermenschen waren waaraan elke sympathie verspild was.

Op het gevechtsterrein wordt het gedrag van de soldaat door een nieuwe realiteit beheerst: hij staat nu tegenover een tegenstander die op dezelfde manier opgeleid en geïn­doctrineerd is als hijzelf. Elke verwarring in zijn eigen gele­deren brengt zijn eenheid in gevaar, omdat de gevechts­kracht erdoor verminderd wordt en de kans op een neder­laag toeneemt. Discipline wordt zo een factor die de overle­vingskansen vergroot, waardoor de soldaat nauwelijks meer een andere keus heeft dan te gehoorzamen.

Bij de normale uitoefening van zijn plicht kan een soldaat zonder enig gewetensbezwaar andere mensen doden, ver­wonden en verminken, of dat nu burgers of militairen zijn. Als gevolg van zijn daden moeten er mannen, vrouwen en kinderen lijden en sterven, maar dat raakt hem niet persoon­lijk. Hij voert alleen maar een opdracht uit.

Sommige soldaten spelen af en toe met het idee van insub­ordinatie of desertie, maar in de omstandigheden waarin zij functioneren lijkt dit nauwelijks een reële mogelijkheid. Waar moeten zij naar toe als zij deserteren? Bovendien wordt insubordinatie streng gestraft, terwijl er tenslotte nog een krachtige innerlijke basis is die tot gehoorzaamheid aan­zet. Een soldaat wil niet graag een laffe, trouweloze of `on-Amerikaanse' indruk maken. De situatie is op zo'n wij­ze gedefinieerd, dat hij alleen door te gehoorzamen zichzelf als vaderlandslievend, moedig en mannelijk kan zien.

Hij heeft te horen gekregen dat hij voor een goede zaak vecht. En deze definiëring van de situatie komt van het al­lerhoogste niveau – niet zomaar van zijn sergeant, zelfs met alleen van het opperbevel in Vietnam, maar van de president  zelf. Tegen al degenen die in Amerika tegen de oorlog pro­testeren koestert hij alleen maar wrok. Hij maakt namelijk deel uit van een gezagsstructuur en iemand die hem voor misdadiger uitmaakt, bedreigt daarmee de psychologische verdedigi ngsmechanismen die hem het leven draaglijk maken. Het is al moeilijk genoeg om de dag door te komen en in leven te blijven; tijd om over morele kwesties na te denken is er echt niet.

Sommige soldaten gaan slechts gedeeltelijk naar de mach­tigingspositie over en kunnen hun humane idealen niet volle­dig uit het oog verliezen. Militairen met dergelijke gewetens­bezwaren, hoe gering in aantal ook, zijn een potentiële bron van verdeeldheid en worden dan ook uit hun eenheid verwij­derd.

Dit leert ons een belangrijke les over de wijze waarop or­ganisaties functioneren. Zolang rebellie maar tot een enkel individu beperkt blijft, brengt dit nauwelijks enige gevolgen met zich mee. De opstandige persoon wordt eenvoudig door iemand anders vervangen. Het enige gevaar schuilt in de mogelijkheid dat zijn voorbeeld aanstekelijk zal gaan wer­ken. Daarom moet hij geïsoleerd worden, of zo een zware straf ondergaan dat anderen de lust vergaat om ook in verzet te komen.

In vele gevallen geven technologische middelen de kritie­ke handeling een indirect karakter, en dragon er zo toe bij dat eventuele spanningen in aanzienlijke mate gereduceerd worden. De burgerbevolking wordt vanaf drieduizend meter met napalm bestookt; terwijI de bemanning van een Gatling-kanon niet op mensen richt maar op kleine stipjes op een infrarode oscilloscoop.

De oorlog gaat door; gewone mensen begaan wreedheden  waarbij vergeleken het gedrag van onze proefpersonen de zachtmoedigheid zelve is. De oorlog komt niet ten einde doordat individuele soldaten weigeren te gehoorzamen, maar omdat de Amerikaanse regering haar beleid wijzigt; de soldaten krijgen bevel hun wapens  neer te leggen, en volgen ook deze order op.

Nog voor het einde van de oorlog kwamen er gedragingen aan het licht die aan onze somberste voorgevoelens beant­woorden. In de Vietnamese oorlog vormde de massamoord in My Lai een zeer duidelijke illustratie van het probleem waaraan dit boek gewijd is. Hier volgt een verslag van dit bloedbad door een van de soldaten die eraan deelnamen. Hij wordt 6ndervraagd door Mike Wallace van de CBS-nieuws­dienst.

V. Hoeveel man zaten er in de helikopter?

A. Vijf. En we landden vlak bij een dorp-, we stelden ons op en begonnen naar het dorp toe te lopen. En er zat iemand in een schuilplaats, een spleetoog, hij zat helemaal in elkaar gedoken. En een van ons riep dat er een spleetoog zat.

V. Hoe oud was hij? lk bedoel was het een jonge kerel of een oude man?

A. Een oude man. En een van ons trok hem te voorschijn en riep: er zit een spleetoog hier. En sergeant Mitchell schreeuwde terug: schiet hem dood.

V. Sergeant Mitchell voerde het bevel over jullie twintigen?

A. Hij voerde het bevel over de hele groep. En dus schoot hij die man dood. En we liepen het dorp in, we begonnen het te doorzoe­ken, we dreven ze op een hoop en renden naar het midden van het dorp.

V. Hoeveel mensen vonden jullie?

A. Zo'n veertig, vijftig. We dreven ze in het midden van het dorp op een hoop. Het was net een klein eilandje. Precies midden in het dorp, dacht ik... en...

V. Wat voor mensen waren dat? Mannen, vrouwen, kinderen? A. Mannen, vrouwen, kinderen.

V. Baby's?

A. Baby's. We dreven ze bij elkaar. We lieten ze neerhurken en luitenant Calley kwam eraan en zei: 'Je weet was je moet doen, nietwaar. En ik zei ja. Ik dacht dat hij bedoelde dat we ze in de gaten moesten houden. Hij ging weg, en kwam zo'n tien, vijftien minuten later terug, en zei: 'Hoe komt het dat je ze nog niet ge­dood hebt?' En ik zei: 'Ik wist niet dat u bedoelde dat we ze moes­ten neerschieten, ik dacht dal we ze alleen maar moesten.bewa­ken.' Hij zei: 'Nee, ze moeten dood.' En-

V. Zei hij dat tegen jullie allemaal, of alleen tegen jou?

A. Ik stond met mijn gezicht naar hem toe. Maar de andere drie, vier konden het ook horen en hij liep zo'n drie, vier meter achter­uit, en begon te schieten. En hij zei dat ik dat ook moest doen. Ik begon dus te schieten, ik schoot vier magazijnen leeg op die groep.

V. Je schoot vier magazijnen van je...

A. M-16.

V. En dat is hoeveel magazijnen – ik bedoel, hoeveel –  Er zaten zeventien patronen in een magazijn.

V. Je vuurde dus ongeveer vijfenzeventig schoten af?

A. Precies.

V. En hoeveel mensen school je daarbij dood? Op dat moment?

A. Ik vuurde automatisch, dus je kan – je geeft verspreid vuur, dus je weet onmogelijk hoeveel je er hebt doodgeschoten, het gaat veel te snel. Ik heb er misschien zo'n tien of vijftien gedood.

V. Mannen, vrouwen en kinderen?

A. Mannen, vrouwen en kinderen.

V. En baby's?

A. En baby's.     

V. Goed, en toen?

A. We dreven ze dus bij elkaar, andere mensen, we hadden er zo'n zeven of acht, en we wilden ze in de keet stoppen, met een hand­granaat erbij.

V. Jullie dreven nog meer mensen bij elkaar?

A. Ja, nog meer mensen, en we hadden er zo'n zeven of acht, en we wilden ze in de keet stoppen en dan een handgranaat erbij. En er kwam iemand opdagen bij die diepte, en zei dat we ze daar­heen moesten brengen, dus bij die diepte, we haalden ze dus uit de keet en brachten ze bij de diepte – en toen we ze daarheen hadden gebracht, hadden ze al zo'n zeventig, vijfenzeventig men­sen samengebracht. We deden die van ons erbij en luitenant Calley zei tegen mij: 'Soldaat, we moeten nog een karweitje opknappen.' En hij liep naar die mensen toe, begon ze naar beneden te duwen en begon te schieten...

V. Hij duwde ze de diepte in?

A. Ja, de diepte in. Het was een uitgegraven sloot. En we duwden ze naar beneden, en begonnen te schieten, we duwden ze dus met z'n allen naar beneden, en schoten onze machinegeweren op ze leeg. En toen...

V. Ook ditmaal mannen, vrouwen en kinderen?

A. Mannen, vrouwen en kinderen.

V. En baby's?

A. En baby's. We begonnen dus te schieten en iemand zei dat we schot voor schot moesten vuren om kogels te sparen. We zetten ze dus op schot voor schot, en schoten nog een paar patronen af...

V. Waarom deed je dat?

A. Waarom? Omdat ik dacht dat ik daartoe bevel had gekregen, dat dacht ik, en ik dacht toen ook dat het goed was wat ik deed, want, zoals ik al zei, ik was een paar vrienden kwijtgeraakt. Ik was een hele goede vriend kwijtgeraakt, Bobby Wilson, en daar moest ik aan denken. Dus op dat moment voelde ik me oké, maar een paar uur later voelde ik me niet meer zo lekker.

V. Ben je getrouwd?

A. Ja.

V. Kinderen?

A. Twee.

V. Hoe oud?

A. M'n zoontje is twee en een half, mijn dochtertje anderhalf.

V.. Het zal duidelijk zijn welke vraag bij me opkomt... de vader van twee van zulke kinderen... hoe kan hij baby's doodschieten?

 A. Ik had toen nog geen dochter. Alleen een zoontje.

V. Uh-huh... Hoe kan iemand op baby's schieten?

A. lk weet het niet. Het gebeurt gewoon.

V. Hoeveel mensen denk je dat er die dag gedood werden? A. Ik dacht ongeveer driehonderdzeventig.

V. Hoe kom je aan dat getal?

A. Door te kijken.

V. Je zegt dus dat een aantal mensen, waaronder je zelf, verant­woordelijk waren voor de dood van – hoeveel?

A. Ik weet het niet.

V. Vijfentwintig? Vijftig?

A. Ik weet het niet. Te veel in ieder geval.

V. En met z'n hoevelen schoten jullie?

A. Dat weet ik ook niet. Er waren anderen... er was nog een ande­re groep, en... maar ik weet echt niet hoeveel.

V. Maar de bewoners van het dorp werden  op een rij gezet en zo neergeschoten? Niet door kruisvuur?

A. Ze werden niet op een rij gezet... Ze werden in de diepte ge­duwd, of terwijl ze zaten, of hurkten... en toen neergeschoten.

V. En wat deden de bewoners – met name de vrouwen en de kin­deren, de oude mannen – wat deden ze? Wat zeiden ze tegen jullie?

A. Ze zeiden niet veel tegen ons. Ze werden gewoon naar beneden geduwd en ze deden wat ze gezegd werd.

V. Smeekten ze niet om genade, of zeiden ze niet 'Nee... nee.' Of...

A. Ja, ze smeekten om genade, en ze zeiden: 'Nee... nee.' En de moeders drukten de kinderen tegen zich aan, en... maar ze bleven maar doorschieten. Nou, we bleven maar doorschieten. Ze zwaai­den met hun armen en smeekten om genade...

(New York Tmes, 25 november 1969)

Deze soldaat werd niet aangeklaagd voor de rol die hij bij de massamoord in My Lai speelde, omdat hij zich op het moment dat het bloedbad bekend werd, niet meer onder mi­litaire jurisdictie bevond. 

[ Noot 28: 28. Luitenant William Calley, commandant van het peloton dat de actie uitvoerde, beriep zich echter wel op 'bevelen van hogerhand'.

Dit beroep werd echter door de militaire aanklager van de hand gewe­zen. Veelbetekenend genoeg, bestreed hij niet het principe dat een soldaat orders moet opvolgen; hij beweerde alleen dat Calley geen beve­len van hogerhand had gekregen, en daarom verantwoordelijk moest worden gesteld voor de massamoord. Calley werd schuldig verklaard. De reacties van het Amerikaanse publiek op het proces tegen Calley werden bestudeerd door Kelman en Lawrence (1972), en de resultaten van hun onderzoek zijn nauwelijks bemoedigend. Eenenvijftig procent van de ondervraagden verklaarden, dat als zij bevel kregen om alle inwo­ners van een Vietnamees dorp neer te schieten, zij deze order zouden opvolgen. Kelman komt naar aanleiding daarvan tot de volgende con­clusie:

'Het blijkt duidelijk dat de eisen van een als legitiem beschouwd gezag niet bij iedereen als even dwingend overkomen. Niet al Milgram's proefpersonen dienden hun slachtoffers schokken van het hoogste vol­tage toe. Niet alle soldaten die onder bevel van Calley stonden, voerden zijn orders om ongewapende burgers te doden uit. Mensen die onder der­gelijke omstandigheden verzet bieden, zijn er blijkbaar in geslaagd om het kader van persoonlijke verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid dat wij in het normale leven hanteren te behouden.

Desondanks vormen onze gegevens een aanwijzing dat een groot aan­tal Amerikanen van mening zijn dat zij niet het recht hebben om tegen de eisen van het gezag in te gaan. Zij beschouwen de daden die Calley in My Lai begaan heeft als iets normaals en zelfs als iets positiefs, om­dat hij (naar hun mening), door ze te verrichten zich gehoorzaam toonde aan het wettige gezag.

Wij moeten ons daarbij afvragen hoe het mogelijk is dat meer dan de helft van de door Kelman ondervraagde Amerikanen naar eigen zeggen de bevelen van het militaire gezag in My Lai zouden uitvoeren (terwijl er onder hen waarschijnlijk nauwelijks een zou zijn geweest die zou hebben voorspeld) dat hij bij ons experiment volledig gehoorzaam zou zijn gebleven.

In de eerste plaats vormden de antwoorden op Kelman's vragen, ge­steld op een moment dat Amerika nog in oorlog. was, een weerspiegeling van de algemene opvattingen over de strijd in Vietnam en van de houding tegenover het regeringsbeleid. Wanneer dezelfde enquête in vredestijd was gehouden, zou een geringer percentage gehoorzaamheid hebben voorspeld. De antwoorden waren bovendien een uiting van soli­dariteit met een Amerikaanse militair die volgens de meeste Amerika­nen niet berecht had moeten worden. In de tweede plaats vormt het leger de context waarmee de gemiddelde Amerikaan het makkelijkst gehoor­zaamheid associeert: hij weet dat een soldaat geacht wordt om orders op te volgen, en het antwoord op de vraag komt dan ook voor een deel voort uit wat de volksmond zegt en bekendheid met het militaire ap­paraat. Dit wil echter niet zeggen dat zij hiermee van enig inzicht in de algemene principes van gehoorzaamheid getuigen; dit zou pas het geval zijn wanneer zij in staat waren geweest om deze principes ook in een nieuwe context toe te passen. Mensen begrijpen dat sol­daten massaslachtingen houden, maar zij zien niet in dat een dergelijke actie het logische resultaat is van bepaalde processen die in een minder zichtbare vorm overal in elke georganiseerde samenleving werk­zaam zijn. Tenslotte blijkt uit Kelman's onderzoek, in welke mate het Amerikaanse volk het standpunt dat het gezag in de kwestie-Vietnam innam, was gaan onderschrijven. De Amerikaanse bevolking was volle­dig geïndoctrineerd door de regeringspropaganda (op landelijk niveau is regeringspropaganda het middel waardoor de officiële definiëring van de situatie verspreid wordt). In dit opzicht stonden de door Kelman on­dervraagde Amerikanen niet volledig los van het gezagssysteem waarover ze gevraagd werd commentaar te leveren, maar waren zij er reeds door beïnvloed. Einde Noot 28]

 

 

 

 

 

Wanneer men de verslagen van het incident in My Lai, van het Eichmann-proces en het proces van luitenant Henry Wirz, commandant in Andersonville29 , doorleest, stuit men steeds weer op de volgende punten:

 [Noot 29. Henry Wirz. Trial of Henry Wirz (Commandant at Andersonville) Hou­se of Representatives, 40th Congress, 2nd Session, Ed. Doc. no. 23. (Brief van de minister van Oorlog ad interim, in antwoord op de resolutie van het Huis van Afgevaardigden van 16 april 1866, waarin een samenvatting wordt gegeven van het proces tegen Henry Wirz; 17 decenber 1867.) ]

 

  We treffen een aantal mensen aan die hun werk doen, en daarbij niet door morele, maar door administratieve op­vattingen worden gedreven.

1.   Deze individuen zien het vernietigen van andere men­sen als iets dat geheel los staat van hun eigen persoonlijke gevoelens. Zolang hun daden door bevelen van hogerhand gedekt worden, kennen zij deze een immoreel opzicht posi­tief karakter toe.

2.   Individuele waarden als trouw, plicht en discipline ko­men voort uit de technische eisen van een hiërarchische structuur. Het individu ervaart ze als zedelijke normen die zeer persoonlijk gekleurd zijn, maar vanuit een organisato­risch standpunt bezien zijn het alleen maar technische ver­eisten om het systeem in stand te houden.

3.     In vele gevallen wordt het taalgebruik speciaal aange­past, om te voorkomen dat de betreffende handelingen op verbaal niveau direct in conflict komen met de zedelijke op­vattingen die iedereen tijdens zijn opvoeding aanleert. Eufe­mismen tieren dan ook welig — niet zomaar, maar als een middel om het individu voor de zedelijke implicaties van zijn daden te behoeden.

4.   Zonder uitzondering schuiven ondergeschikten hun verantwoordelijkheid of op de schouders van hoger geplaat­sten. In vele gevallen wordt er uitdrukkelijk bevestiging van hogerhand gevraagd. Deze herhaalde verzoeken vormen altijd een eerste aanwijzing dat ondergeschikten op een of andere manier het gevoel hebben dat er een moreel gebod dreigt te worden overtreden.

De betreffende handelingen worden bijna altijd gerecht­vaardigd met een beroep op een reeks positieve doeleinden en krijgen in het licht van een of ander hoogstaand ideolo­gisch ideaal een nobel karakter. Bij ons experiment kregen onschuldige slachtoffers schokken toegediend uit naam van de wetenschap, terwijl de vernietiging van de joden in Duits­land werd voorgesteld als een 'hygiënisch proces' tegen 'het joodse ongedierte' (Hilberg 1961).

7. Het getuigt altijd enigszins' van slechte smaak om zich tegen de destructieve loop der gebeurtenissen te verzetten, of er zelfs maar over te praten. Zo werd het tijdens de Hitler-periode in Duitsland, zelfs in de kringen die het nauwst bij de Endlösung betrokken waren, als uiterst onwel­levend beschouwd om het onderwerp van de massamoorden aan te snijden (Hilberg, 1961). De deelnemers, aan onze ex­perimenten ervoeren hun eigen bezwaren in de meeste ge­vallen als uiterst lastig.

8. Wanneer de relatie tussen ondergeschikte en autoriteit in stand blijft, treden er psychologische mechanismen op, die de spanningen die door het uitvoeren van immorele be­velen worden opgeroepen, tot een aanvaardbaar niveau re­duceren.

9. Gehoorzaamheid neemt niet de vorm aan van een dra­matische confrontatie van tegenstrijdige standpunten of doelstellingen, maar maakt deel uit van een wijdere context waarin sociale verhoudingen, carriërisme en technische sleur de boventoon voeren. Gewoonlijk is er allerminst spra­ke van een heldhaftige figuur die in zware gewetensnood raakt en evenmin van een pathologische agressieveling die op wrede wijze van zijn machtspositie misbruik maakt, maar alleen maar van een ambtenaartje die een taak heeft gekre­gen en zijn best doet om een zo bekwaam mogelijke indruk te maken.

Laten we nu weer terugkeren naar onze experimenten en proberen vast te stellen waar het belang van ons onderzoek in ligt. Het gedrag dat wij hebben  waargenomen is normaal menselijk gedrag. De omstandigheden waarin het optrad to­nen echter zeer duidelijk aan hoezeer ons bestaan door onze innerlijke natuur bedreigd wordt. Wat hebben we namelijk kunnen waarnemen? Geen agressie, want van woede, wrok of haat was absoluut geen sprake. Mensen worden soms kwaad en voelen soms haat tegen andere, mensen. Maar dit was bij ons onderzoek allerminst het geval. Wat bij onze experimenten aan het licht trad was iets veel gevaarlijkers: namelijk het vermogen van de mens om zijn menselijkheid te verliezen en de onvermijdelijkheld waarmee dit gebeurt wanneer hij zijn unieke persoonlijkheid in een groter hiërar­chisch geordend geheel laat ondergaan.

Dit is een fatale zwakte in onze aard die de overlevings­kansen van onze soort op langere termijn aanzienlijk ver­mindert.

Ironisch genoeg zijn het juist de zo hoog gewaardeerde eigenschappen als loyaliteit, discipline en zelfopoffering die destructieve op oorlog gerichte organisaties mogelijk maken en die de mens aan kwaadaardige gezagssystemen binden

[ Noot 30:  30. Op het eerste gezicht lijkt het anarchistische idee om alle politieke in­stellingen te ontmantelen, een uitstekende oplossing voor het probleem van het gezag. Maar de problemen die het anarchisme met tot meebrengt zijn niet minder onoplosbaar. Gczag  leidt weliswaar soms tot meedogenloze en immorele daden, maar afwezigheid van gezag stelt de mens bloot aan de willekeur van individuen die wet georganiseerd zijn. Als de Verenigde Staten elke vorm van politiek gezag afzwoeren, zou het voor iedereen duidelijk zijn wat er ging gebeuren. Amerika zou al gauw het slachtoffer worden van zijn gebrek aan organisatic, omdat de best georganiseerde landen on­middellijk van de zwakte van de Verenigde Staten zouden profiteren.

Bovendien is een beeld van een edel individu dat in een voortdurende strijd gewikkeld is met het kwaadaardige gezag een oversimplificatie. Het is namelijk maar al te duidelijk dat de waarden die hij tegen het kwaadaardi­ge gezag in het geweer brengt, voor een belangrijk deel uit een of andere vorm van gezag afkomstig zijn. En voor elk individu dat door het gezag tot misdaden wordt gebracht, is er een ander individu dat er juist door het gezag, van wordt weerhouden. Einde Noot30]

 

 

Elk individu beschikt over een geweten dat zijn destructie­ve neigingen min of meet in toom houdt. Maar wanneer hij in een georganiseerde structuur opgaat, wordt de autonome mens vervangen door een nieuw wezen dat niet geremd wordt door individuele opvattingen van zedelijkheid, dat ge­heel los staat van humane overwegingen en dat alleen maar oog heeft voor de sancties van het gezag.

Waar ligt de grens van deze gehoorzaamheid? Wij hebben steeds opnieuw geprobeerd om een dergelijke limiet vast te stellen. Het slachtoffer begon te schreeuwen van pijn: het bleek onvoldoende. Hij beweerde aan een hartkwaal te lij­den: ondanks dat bleven de proefpersonen hem op comman­do schokken geven. Het slachtoffer smeekte erom losge­maakt te worden en weigerde verder te antwoorden: nog steeds kreeg hij schokken toegediend. Aanvankelijk hadden

wij er geen rekening mee gehouden dat er dergelijke drasti­sche maatregelen nodig zouden zijn om tot ongehoorzaam­heid te leiden, en we gingen pas tot een nieuwe stap over als zonneklaar bleek dat alle vorige technieken gefaald hadden. Onze laatste, poging om een bepaalde grens vast te stel­len, was de proefopstelling waarin de deelnemers aan ons experiment de hand van het slachtoffer op de schokplaat moesten drukken. Maar  reeds de eerste proefpersoon die in deze opstelling getest werd, deed wat hem opgedragen werd en ging door tot het hoogste schokniveau bereikt was. Een kwart van de proefpersonen volgde zijn voorbeeld.

De resultaten van ons onderzoek zijn in mijn ogen zeer verontrustend. Zij vormen een aanwijzing dat de menselijke aard of in ieder geval het soort karakter dal door de Ameri­kaanse democratische samenleving wordt voortgebracht, waarschijnlijk, geen enkele zekerheid biedt dat een kwaad­aardige vorm van gezag niet in staat zou zijn om individuen tot wreedheden en beestachtigheden tegen hun medemensen aan te zetten. Een aanzienlijk deel van de mensen doet een­voudigweg wat hun wordt opgedragen, en zolang deze opdrachten afkomstig zijn van een in hun ogen legitieme gezagsinstantie, voelen zij daarbij geen enkel gewetensbezwaar.

In een artikel getiteld 'De gevaren van gehooraamheid' schreef Harold Laski:

 

... beschaving betekent in de allereerste plaats een niet bereid zijn om iemand onnodig pijn te doen. In het kader van deze definitie kan iemand die de bevelen van het gezag zonder meer aanvaard,. er geen aanspraak op maken een beschaafd mens te zijn.

... Wanneer wij een leven willen leden dat niet van alle zin en betekenis ontbloot is. moeten wij niets aanvaarden dat met onze fundamentele opvattingen in strijd is, alleen maar omdat het tradi­tie en gewoonte is of omdat het van een autoriteit afkomstig is. Het is daarbij niet onmogelijk dat wij ongelijk kunnen hebben, maar wanneer de zekerheden die wij gevraagd worden te aanvaar­den niet overeenstemmen met de zekerheden die wij voelen wordt elke individuele uiting in de kern gesmoord. Dat is de reden waarom in elke staat alleen vrijheid kan heersen, wanneer de principes waarop de macht berust, voortdurend en overal ter discussie worden gesteld.

 

 

Bedenkingen en aanvullingen bij dit “Nawoord” in een volgend logje dus…

15:11 Gepost door doeterniettoe in Maatschappij | Permalink | Commentaren (0) | Tags: milgram gehoorzaamheid, oorlog, vietnam |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.